{"type":"document","data":{"id":"9ebef032-454b-4d54-84fb-529c0aae7fcc","localeString":"nl-NL","publishDate":"2026-04-07T13:44:24.563+02:00","contentType":"onecms:editorialPage","hasMacro":false,"flexPageMetadata":{"afmBanner":false,"robotInstruction":{"noIndex":false,"noFollow":false},"description":"ING Research - beloning kan nog wat meer toenemen"},"mainHeaderZone":{"componentType":"editorialHeader","coreHeader":{"title":"ING Research: Economisch verantwoord om beloning van werkenden nog wat harder te laten stijgen","subtitle":"Volledige looncompensatie voor hoge inflatie economisch risicovol"},"backLink":{"textLink":{"url":"/zakelijk/economie/nederland","text":"De Nederlandse economie"}},"date":"2022-09-15","readingTime":10},"flexZone":{"flexComponents":[{"componentType":"sectionTitle","title":"Inleiding: Is er ruimte voor extra loongroei?"},{"componentType":"paragraph","richBody":{"value":"<p>De afgelopen paar jaar heeft de coronacrisis zijn stempel gedrukt op de Nederlandse economie. Die kreeg ongekend grote en abrupte klappen te verduren, maar is daar – als we naar (verschillende onderdelen van) het bbp kijken – al grotendeels van hersteld. Inmiddels verkeert onze economie alweer in heel ander vaarwater: de werkloosheid is historisch laag en de vacaturegraad bijzonder hoog. Gegeven deze krappe arbeidsmarkt en de historisch hoge inflatie dringt de economisch relevante vraag zich op: hoe zouden de lonen zich de komende tijd moeten ontwikkelen?  Om die vraag te beantwoorden, zullen we eerst terugkijken naar welke inkomensontwikkeling werkenden (zowel werknemers als zelfstandigen) recent hebben doorgemaakt: merken ze al iets in hun beloning van het economisch herstel en in hoeverre hebben verschillende groepen werkenden verloren terrein goedgemaakt? Vervolgens kijken we vooruit of er nog meer in het vat zit: is er economisch gezien ruimte voor additionele inkomensstijging?</p>"}},{"componentType":"sectionTitle","title":"Hoofdstuk 1: Waar staan we ten opzichte van voor de coronacrisis?"},{"componentType":"paragraph","richBody":{"value":"<p>Om een goede eerste indicatie te krijgen hoe de beloning van werkenden zich recent heeft ontwikkeld, kijken we eerst naar hoe hun beloning nu zich verhoudt ten opzichte van de periode vlak voor de coronacrisis. Stapsgewijs bekijken we daartoe eerst naar het gemiddeld aantal gewerkte uren per werkende, daarna naar de beloning per uur, zodat we inzichtelijk maken hoe de beloning per persoon zich uiteindelijk heeft ontwikkeld. We maken daarbij eerst de vergelijking tussen het eerste kwartaal van 2022 en het vierde kwartaal van 2019.</p><p><strong>1.1 Achterblijvend aantal gewerkte uren</strong></p><p>Als er minder wordt gewerkt, wordt er ook minder verdiend. Het gemiddeld aantal gewerkte uren lag in het eerste kwartaal van 2022 lager dan voor corona, vooral voor zelfstandigen. Dit komt voor werknemers voor een deel door het hoge corona-gerelateerde ziekteverzuim (tijdens de piek van de omikronvariant). Voor zelfstandigen speelde waarschijnlijk het achterblijven van opdrachten in dienstensectoren als de horeca en recreatie, cultuur &amp; sport een belangrijke rol. Die sectoren, waar normaliter veel zzp’ers werken, waren aan het begin van dit jaar immers nog niet volledig hersteld van de coronadip.</p>"},"alignedImage":{"position":"bottom","transformBaseUrl":"https://assets.ing.com/transform/a840eb08-fcc0-41af-ad06-65145a13d95a/1_tcm162-250769","original":"https://assets.ing.com/m/30b8193bab8f66b5/original/1_tcm162-250769.png","extension":"png"}},{"componentType":"paragraph","richBody":{"value":"<p><strong>1.2 Hogere beloning per uur</strong></p><p>Terwijl het gemiddeld aantal gewerkte uren begin 2022 nog achterbleef bij het pre-coronaniveau, nam de gemiddelde bruto(1) beloning per gewerkt uur (ook wel “loonvoet genoemd” wel flink toe. De beloning per gewerkt uur is voor zelfstandigen zelfs wat meer gestegen dan voor werknemers. Dit is een patroon dat we ook <a href=\"https://www.ing.nl/zakelijk/kennis-over-de-economie/onze-economie/de-nederlandse-economie/publicaties/beloning-zelfstandigen-stijgt-sneller-dan-van-werknemers.html\">tijdens eerdere herstelperioden zagen</a>: als het goed gaat met de economie, dan gaat de beloning van zelfstandigen harder omhoog.</p>"},"alignedImage":{"position":"bottom","transformBaseUrl":"https://assets.ing.com/transform/c30d11b5-2df3-4fc4-89e2-c865e0260d15/2_tcm162-250770","original":"https://assets.ing.com/m/7151a3c92823e5a/original/2_tcm162-250770.png","extension":"png"}},{"componentType":"paragraph","richBody":{"value":"<p>Voor werknemers waren het vooral de collectieve loonafspraken die zorgden voor de hogere beloning. Werknemers zagen hun uurlonen namelijk met 6,3% stijgen dankzij cao-afspraken (inclusief bijzondere beloning zoals vakantiegeld en winstuitkeringen). De overige 2,2%-punt van de uurloonstijging is incidentele beloning. Omdat dit deel van de beloning niet op de centrale onderhandelingstafel(2) van werkgevers- en werknemersvertegenwoordigers ligt, wordt dit vaak over het hoofd gezien. Het gaat hier het om het totaal van het effect van promoties, overstappen naar een anders betaalde baan, individuele toeslagen, uitgesteld loon via pensioenpremies en dergelijke. Tegelijkertijd spelen ook samenstellingseffecten(3) van de werknemerspopulatie een rol. De recente incidentele beloningsontwikkeling van 2,2%-punt mogen we in historisch perspectief als vrij hoog bestempelen. Vanaf 1995 lag in vergelijkbare perioden de stijging van de incidentele beloning namelijk in meer dan 60% van de gevallen lager.</p><p><strong>1.3 Beloning van werknemers en zelfstandigen flink hoger dan voor corona</strong></p><p>De combinatie van iets minder uren per werkende en een flinke stijging van de beloning per uur zorgt ervoor dat werkenden er ten opzichte van voor de coronacrisis (vierde kwartaal van 2019) nog substantieel op vooruit zijn gegaan. Zo verdient een werknemer begin 2022 gemiddeld 7,8% meer dan net voor het uitbreken van de coronacrisis (in het vierde kwartaal 2019). Hier is sprake van een historisch gezien vrij stevige groei: vanaf 1995 lag de groei van de beloning per persoon in vergelijkbare perioden in driekwart van de gevallen lager. De toename van de beloning per zelfstandige van 7,5% was vrijwel gelijk aan de stijging onder werknemers.</p>"},"alignedImage":{"position":"bottom","transformBaseUrl":"https://assets.ing.com/transform/65cb8909-d7a9-43a2-95ad-1ade785c8336/3_tcm162-250783","original":"https://assets.ing.com/m/51b293c700308359/original/3_tcm162-250783.png","extension":"png"}},{"componentType":"sectionTitle","title":"Hoofdstuk 2: Heeft de recente beloningsgroei eerdere verliezen goedgemaakt?"},{"componentType":"paragraph","richBody":{"value":"<p>Hoewel de uiteindelijke toename van de beloning van zelfstandigen en werknemers elkaar weinig ontloopt, betekent dat niet automatisch dat beide groepen werkenden de coronacrisis even goed zijn doorgekomen. Willen we goed in kaart brengen of werkenden uiteindelijk nominaal beter of slechter uit de crisis tevoorschijn zijn gekomen, dan moeten we verder inzoomen op hoe de beloning zich gedurende alle negen kwartalen van de coronadip- en herstelperiode (gemiddeld in het eerste kwartaal van 2020 tot en met het eerste kwartaal van 2022) verhoudt tot het niveau van net vóór corona (in het vierde kwartaal van 2019). We gaan daartoe hetzelfde rijtje langs als hierboven: eerst het gemiddeld aantal gewerkte uren per persoon, dan de beloning per uur en uiteindelijk de beloning per werkende. We laten hier dus zien hoe het gemiddelde gedurende de hele coronaperiode zich verhoudt tot het niveau van net voor de crisis.</p><p><strong>2.1 Zelfstandigen verloren veel meer uren werk dan werknemers</strong></p><p>Ondanks de krimp van economie tijdens de lockdowns, liep de werkloosheid maar beperkt en tijdelijk op. Waar een aantal werknemers hun baan verloor en (deels met NOW ondersteund) een deel van de werknemers minder uren werkte, bleef het aantal zelfstandigen groeien. Dit ondanks het feit dat er minder opdrachten waren. Zo kon de ontwikkeling van het aantal gewerkte uren uiteindelijk sterk uiteen gaan lopen tussen werknemers en zelfstandigen. Waar werknemers gemiddeld 0,5% uren minder werkten dan in het vierde kwartaal van 2019, verloren zelfstandigen gemiddeld maar liefst 3,9% aan uren.</p>"},"alignedImage":{"position":"bottom","transformBaseUrl":"https://assets.ing.com/transform/f5f9bdfb-35fe-4797-811d-3108731417da/4_tcm162-250784","original":"https://assets.ing.com/m/3fa252d8e9fbaab1/original/4_tcm162-250784.png","extension":"png"}},{"componentType":"paragraph","richBody":{"value":"<p><strong>2.2 Behoorlijke toename beloning per uur ondanks crisisperiode </strong></p><p>De beloning per uur van zowel werknemers als zelfstandigen liet gemiddeld over de gehele coronadip- en herstelperiode – opvallend genoeg – dezelfde ontwikkeling zien (respectievelijk 5,7 en 5,8%). Cao-lonen stegen 3,5%, terwijl de incidentele beloning voor werknemers met 2,1% ook substantieel was. Aanvankelijk profiteerden werknemers van cao-loonafspraken die in de krappe arbeidsmarkt van vóór het uitbreken van het virus al waren afgesproken, in tegenstelling tot zelfstandigen. Pas eind 2020 kwam hier een omslagpunt in. Maar snel was de arbeidsmarkt weer dusdanig krap dat ook de cao-loonstijging terugkeerde naar het niveau van voor corona. Hoewel het verloop van de tarieven van zelfstandigen een stuk volatieler was, kwamen ze qua gemiddelde ontwikkeling uiteindelijk vergelijkbaar uit als de beloning per uur van werknemers.</p>"},"alignedImage":{"position":"bottom","transformBaseUrl":"https://assets.ing.com/transform/139b787a-991d-4bff-a1ee-083b784be910/5_tcm162-250785","original":"https://assets.ing.com/m/74011a78e8a85afc/original/5_tcm162-250785.png","extension":"png"}},{"componentType":"paragraph","richBody":{"value":"<p><strong>2.3 Beloning van zelfstandigen gemiddeld achtergebleven gedurende coronaperiode</strong></p><p>Ondanks de steun van de overheid tijdens de coronaperiode is er een duidelijk verschil hoe werknemers en zelfstandigen deze crisisperiode zijn doorgekomen. Tijdens de coronaperiode ondersteunde de overheid de inkomens van zowel werknemers als voor zelfstandigen. Voor werknemers was de bulk van de steun indirect: werkgever ontvingen bijvoorbeeld loonsubsidies via de (NOW), waardoor minder werknemers hun baan verloren en het loon doorbetaald kon worden. Zelfstandigen werden daarentegen vooral direct ondersteund, zoals via de aanvullende inkomensondersteuning voor levensonderhoud Tijdelijke Overbruggingsregeling Zelfstandige Ondernemers (Tozo).</p><p>Uiteindelijk waren zelfstandigen toch slechter af in vergelijking met werknemers. De beloning van de gemiddelde zelfstandige lag in de gehele coronadip- en herstelperiode van negen kwartalen vanaf het eerste kwartaal van 2022 tot en met het eerste kwartaal van 2022 namelijk gemiddeld nominaal 1,6% hoger dan eind 2019, terwijl dat 5,0% was voor werknemers. Daarmee heeft het inkomen van zelfstandigen de prijsstijgingen (gerekend exclusief belasting-/subsidiewijzingen) van gemiddeld 2,6% niet bij kunnen houden. Zij hebben dus een welvaartsverlies geleden. Werknemers ging er daarentegen reëel nog wel op vooruit en konden dus juist meer kopen voor hun loon.</p>"},"alignedImage":{"position":"bottom","transformBaseUrl":"https://assets.ing.com/transform/d651ec82-a594-4ed7-9a85-80e9f1a530f0/6_tcm162-250786","original":"https://assets.ing.com/m/2dda0ec246db0572/original/6_tcm162-250786.png","extension":"png"}},{"componentType":"paragraph","richBody":{"value":"<p><strong>Zwakkere cao-loonstijging in zwaar getroffen bedrijfstakken </strong></p><p>De coronacrisis raakte bedrijfstakken heel verschillend. Daarom kijken we ook naar de beloningsontwikkeling van werknemers(4) per sector.</p><p>Vooral voor werknemers actief in de zakelijke dienstverlening (zoals de uitzendbranche), cultuur &amp; recreatie en gezondheidszorg lag de beloning per werkende in de negen coronakwartalen gemiddeld het hoogst ten opzichte van eind 2019. De bouw, landbouw en overheid bleven juist achter bij het landelijk gemiddelde.</p>"},"alignedImage":{"position":"bottom","transformBaseUrl":"https://assets.ing.com/transform/3beb7884-254a-4c22-ab42-8222c5d24e50/7_tcm162-250787","original":"https://assets.ing.com/m/243a734a24a1f420/original/7_tcm162-250787.png","extension":"png"}},{"componentType":"paragraph","richBody":{"value":"<p>Dit gemiddelde zegt uiteindelijk niet zoveel: op bedrijfstakniveau is er namelijk sprake van grote samenstellingseffecten. De cultuur &amp; recreatie en handel, vervoer &amp; horeca zijn voorbeelden van bedrijfstakken die zwaar werden getroffen door de coronacrisis. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de forse dalingen van de werkgelegenheid in die sectoren. In deze twee sectoren werkten gemiddeld gedurende de coronaperiode respectievelijk 4,3% en 1,9% minder werknemers dan voor corona. Desondanks scoorden deze sectoren bovengemiddeld op de gemiddelde beloning per werkende. Dit blijkt gedreven door een bovengemiddelde incidentele loonontwikkeling. De cao-ontwikkeling lag in deze sectoren juist onder het gemiddelde.(5)</p>"},"alignedImage":{"position":"bottom","transformBaseUrl":"https://assets.ing.com/transform/5fd309d0-f7a8-4794-916f-eb13af8509bb/8_tcm162-250789","original":"https://assets.ing.com/m/71c61511f5271ba5/original/8_tcm162-250789.png","extension":"png"}},{"componentType":"paragraph","richBody":{"value":"<p>Dit duidt erop dat in deze sectoren vooral lager betaalde werknemers hun baan verloren en de gemiddelde beloning werd opgekrikt doordat de beter betaalde werknemers aan het werk bleven. Ook illustreert dit dat in bedrijfstakken waar de arbeidsmarkt minder krap is, de loonontwikkeling zwakker is. De markt heeft daar dus zijn werk kunnen doen, ook in de loononderhandelingen. De aanwezigheid van de ruime en veelal generieke overheidssteun heeft de traditionele economische wetmatigheden niet in de weg gezeten.</p>"}},{"componentType":"paragraph","richBody":{"value":"<p><strong>Box 1: Geldillusie geeft vertekend beeld van cao-loonontwikkeling</strong></p><p>Voorafgaand aan de coronaperiode bestond de indruk dat sprake was van een zwakke loonontwikkeling. Zo stelde een <a href=\"https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35300-44.html\">unaniem aangenomen Tweede Kamermotie in 2019</a> dat “[…] constaterende dat de lonen achterblijven op de groei van de economie en de groei van de dividenduitkeringen […] de lonen in het grote bedrijfsleven waar mogelijk met 5% verhoogd moeten worden […]”. De indruk dat de loonontwikkeling toen zwak was, kan zijn ontstaan omdat de nominale cao-loonontwikkeling afnam. De nominale loonontwikkeling was tijdens de hoogconjunctuurperiode 2004-2008 met een jaarlijks gemiddelde van 1,9% namelijk hoger dan tijdens de bloeiperiode van 2014-2019, toen de vakbonden ‘slechts’ 1,6% per jaar binnenhaalden.</p>"},"alignedImage":{"position":"bottom","transformBaseUrl":"https://assets.ing.com/transform/4d0f4dc3-2d8a-4e4c-8530-45a39d28ab31/9_tcm162-250799","original":"https://assets.ing.com/m/30df1bf44a5f67c0/original/9_tcm162-250799.png","extension":"png"}},{"componentType":"paragraph","richBody":{"value":"<p>Deze nominale cijfers wekken de indruk dat werknemers er voorheen meer op vooruit ging tijdens economische oplevingen. Die indruk is echter niet terecht. Voor werkenden is uiteindelijk vooral relevant hoeveel er van het loon gekocht kan worden. Als we corrigeren voor de geldontwaarding blijkt de reële cao-loonontwikkeling tijdens de periode 2014-2019 juist beter te zijn geweest dan in de periode 2004-2008. Zo steeg het reële loon tijdens de periode 2014-2019 gemiddeld per jaar anderhalf maal zo hard als gedurende de periode 2004-2008. Met andere woorden, de cao-loonontwikkeling was tijdens de hoogconjunctuur van 2014-2019 voorafgaand aan de coronaperiode niet slechter maar juist beter dan in de voorafgaande economische bloeiperiode.</p>"}},{"componentType":"sectionTitle","title":"Hoofdstuk 3: Welke ruimte voor extra beloningsgroei is er?"},{"componentType":"paragraph","richBody":{"value":"<p>Vooruitkijkend is het de vraag in hoeverre er nog ruimte is voor zelfstandigen en werknemers voor extra beloningsstijging. Die ruimte, die vooral relevant is aan de cao-onderhandelingstafel, valt niet precies op voorhand vast te stellen. Zeker gezien de huidige onzekerheid over de economische ontwikkelingen in de nabije toekomst. Om toch een indicatie te geven voor het mogelijke potentieel voor verdere stijging van de beloningsontwikkeling, lopen we een drietal belangrijke indicatoren langs:</p><ol><li>de productiviteitsgroei, </li><li>de arbeidsinkomensquote (afgekort als aiq),</li><li>het bruto exploitatieoverschot van bedrijven.</li></ol><p><strong>1) Productiviteit: productiviteitsgroei zet plafond op de loonontwikkeling</strong></p><p>De productiviteit van de werkenden is altijd de beperkende factor voor beloningskosten, zo luidt de gangbare economische theorie(6). Hoge beloningen zijn aantrekkelijk voor de potentiële werkenden en zorgen ervoor dat zij zich op de arbeidsmarkt aanbieden. Maar te hoge beloningen betekenen ook te hoge loonkosten voor werk- en opdrachtgevers en daarmee uiteindelijk te lage (of negatieve) winsten voor bedrijven. Zo’n situatie is niet houdbaar. Loonkosten moeten niet zover oplopen dat er dusdanig weinig winst overblijft dat het rendement op investeringen zo laag wordt dat het voor kapitaalvertrekkers meer opweegt tegen de risico’s die daarmee gepaard gaan. Dan verdwijnt werkgelegenheid, zeker ook als het Nederlandse bedrijfsleven daardoor niet meer concurrerend wordt op exportmarkten. </p><p><strong>Raming nominale arbeidsproductiviteit suggereert zo’n 5% per jaar</strong></p><p>De ontwikkeling van de winsten van bedrijven hangt dus af van de loonkostenontwikkeling in relatie tot de productiviteitsgroei. De winstontwikkeling hangt ook af van de mate waarin bedrijven hun prijzen aan hun afnemers verhogen (zonder dat ze met vergelijkbare kostenstijgingen te maken krijgen, waartegen de prijsstijgingen wegvallen). Daarom wordt de optelsom van de ontwikkeling van de afzetprijzen en de productiviteitsgroei als indicatie gezien voor de ruimte waarmee de nominale lonen (cao + incidenteel) duurzaam kunnen stijgen (zie bijvoorbeeld <a href=\"https://www.cpb.nl/sites/default/files/publicaties/download/memo137.pdf\">Lever, 2005</a>):</p>"},"alignedImage":{"position":"bottom","transformBaseUrl":"https://assets.ing.com/transform/03c7da00-7fa6-490c-b296-0b1caa915dc7/10_tcm162-250800","original":"https://assets.ing.com/m/798a37a573d31bdc/original/10_tcm162-250800.png","extension":"png"}},{"componentType":"paragraph","richBody":{"value":"<p>Deze ruimte kan verdeeld worden tussen de stijging van de cao-lonen en de stijging van de incidentele beloning. Nemen we de meest recente verwachtingen van de <a href=\"https://www.cpb.nl/augustusraming-2022\">Augustusraming van het CPB</a>, dan zou er in 2022-2023 gemiddeld zo’n 5% per jaar loonruimte zijn. Dat is meer dan de beloningsontwikkeling per uur in de eerder beschreven coronaperiode. Ook ligt dit percentage hoger dan de stijging van de cao-loonstijging die we als ING Research op basis van modelvoorspellingen momenteel voorzien: de verwachting daarvoor is dat er in 2022 ruim 3% en in 2023 ruim 4% uit komt. Dat suggereert dat ofwel de cao-loonstijging wat hoger mag uitpakken of dat er deze periode een mogelijkheid bestaat voor incidentele beloningsstijging. Hierbij moet in het achterhoofd worden gehouden dat in de CPB-raming al is uitgegaan van een milde recessie en dus een zwakke productiviteitsontwikkeling, maar dat deze wel met grote onzekerheden omgeven zijn.</p><p>Gezien deze economische onzekerheden, die op het huidige kantelpunt van de economie veelal extra groot zijn, is het economisch gezien logischer om te veronderstellen dat de eventueel resterende verwachte loonruimte benut zal worden door een verder groei van de incidentele beloning. Hogere cao-lonen hebben namelijk veelal een structureel karakter en gelden voor een hele bedrijfstak. Terwijl incidentele afspraken – buiten de cao om – veelal op een lager (individueel) niveau worden gemaakt en beter kunnen worden toegesneden op de specifieke situatie van het bedrijf en de werknemer.</p><p><strong>2) Aiq: uiteindelijk zorgt de markt voor een evenwicht in de verhouding arbeid en kapitaal</strong></p><p>De economische realiteit kan anders uitpakken dan geraamd. Zo kan op korte termijn de ontwikkeling van de reële beloning even uit de pas lopen met de reële productiviteitsgroei. Maar uiteindelijk zorgen economische krachten er toch voor dat ze uiteindelijk weer naar elkaar toe bewegen. In de praktijk is de verhouding tussen de beloning voor kapitaal (bedrijven) en arbeid (werknemers en zelfstandigen) in een goedwerkende markteconomie daarom grosso modo op lange termijn min of meer constant.</p><p>In beloningsdiscussies kijken economen, maar ook vakbonden en werkgeversorganisaties daarvoor vaak naar de arbeidsinkomensquote, het aandeel arbeid in de totale verdiende beloning. Die quote (de aiq) is er in allerlei vormen en maten, omdat er <a href=\"https://www.vno-ncw.nl/sites/default/files/2018-58_de_aiq_in_nederland_een_overzicht.pdf\">veel discussie is over de meest wenselijke definitie</a>. Dat zorgt ervoor dat een streefwaarde lastig is vast te stellen. Ook de conjunctuur is van invloed op de conjunctuur (zie Box 2). Duidelijk is wel dat een langdurig extreem hoog arbeidsinkomens op te hoge loonkosten duidt, terwijl een langdurig extreem lage arbeidsinkomensquote samengaat met een situatie waarin bedrijven niet naar wens kunnen produceren vanwege een tekort aan arbeidskrachten.</p>"}},{"componentType":"paragraph","richBody":{"value":"<p><strong>Box 2: Conjunctuur heeft invloed op de arbeidsinkomensquote</strong></p><p>De arbeidsinkomensquote is geen perfect richtsnoer voor een evenwichtige verdeling van beloning. Zo wordt de arbeidsinkomensquote op korte termijn namelijk ook beïnvloed door het bestedingsgedrag van bijvoorbeeld consumenten, door de conjunctuur. Als huishoudens relatief veel sparen, bijvoorbeeld in een situatie met laag consumentenvertrouwen, dan zal een bepaalde stijging van het reële loon niet tot dezelfde vraagtoename leiden als in een situatie met minder sombere/spaarzame consumenten en dus ook niet samengaan met een vergelijkbare stijging van winsten voor het bedrijfsleven. In zo’n situatie loopt de arbeidsinkomensquote op, gedreven door het sentiment. Die relatief hoge AIQ zou mogelijk onterecht kunnen aanmoedigen tot loonmatiging, gericht op rendementsherstel. Op het moment dat het sentiment weer snel aantrekt en de consument het geld weer laat rollen, daalt de arbeidsinkomensquote naar een niveau lager dan het oorspronkelijke niveau. In dit voorbeeld was - achteraf gezien - de loonmatiging niet gepast en zelfs overbodig om hoge werkloosheid te voorkomen. Die moet vervolgens weer worden teruggedraaid om de personeelskrapte te lijf te gaan. </p>"}},{"componentType":"paragraph","richBody":{"value":"<p><strong>Hoogte aiq recent niet bedreigend voor de werkgelegenheid</strong></p><p>Onder invloed van de conjunctuur fluctueert de aiq altijd wat op de korte termijn. In de jaren zeventig is er echter ook een periode geweest waarin de arbeidsinkomensquote langere tijd dusdanig hoog was dat dit de werkgelegenheid schaadde (zie Box 3). Arbeid was toen simpelweg te duur voor het goed functioneren van de Nederlandse economie. Zeer actuele cijfers over de arbeidsinkomensquote zijn helaas niet beschikbaar(9) en het jaarcijfer voor 2021 is waarschijnlijk nog sterk beïnvloed door de specifieke timing van de corona. Desondanks is wel duidelijk dat de arbeidsinkomensquote de laatste jaren duidelijk onder de niveaus ligt die in de jaren zeventig schadelijk bleken voor de investeringen en daarmee voor de economische groei en de werkgelegenheid. Tegelijkertijd mogen we dit ook interpreteren als een signaal dat de lonen niet veel te hoog zijn en dat in de huidige krappe arbeidsmarkt ruimte is voor een verantwoorde verdere stijging(10). </p>"},"alignedImage":{"position":"bottom","transformBaseUrl":"https://assets.ing.com/transform/5bbb6e60-7b19-41aa-953d-621c773de722/11_tcm162-250801","original":"https://assets.ing.com/m/1a2c535c2155c5ad/original/11_tcm162-250801.png","extension":"png"}},{"componentType":"paragraph","richBody":{"value":"<p><strong>Box 3: Lessen uit de het verleden over de aiq en de lonen</strong></p><p>Begin jaren tachtig stond de Nederlandse economie er niet zo goed voor. De werkloosheid was historisch hoog en de bedrijven investeerden relatief weinig. Om deze situatie op een economisch verantwoorde manier te lijf te gaan, richtten sociale partners zich toen ook op de zogenaamde arbeidsinkomensquote.</p>"},"alignedImage":{"position":"bottom","transformBaseUrl":"https://assets.ing.com/transform/1dff9520-5fdc-43b1-be84-9419d84e3369/ING_EBZ_fig12-pdag2022-grijs_tcm162-250802","original":"https://assets.ing.com/m/6685b246ab69cd3e/original/ING_EBZ_fig12-pdag2022-grijs_tcm162-250802.png","extension":"png"}},{"componentType":"paragraph","richBody":{"value":"<p>Er bestond een brede consensus dat de arbeidsinkomensquote door hoge loonkosten te veel was gestegen, oftewel de kapitaalinkomensquote(11) te veel was gedaald. Na aanhoudende daling in de jaren zeventig was de kapitaalinkomensquote begin jaren tachtig zelfs op een historisch laag niveau aanbelandt. Het lage niveau van de bedrijfsinvesteringen was een belangrijk signaal dat de bedrijfswinsten zich op een te laag niveau bevonden. Te laag om ondernemers nog voldoende aan te zetten tot investeren.</p><p>De consensus op dit punt leidde in 1982 tot het akkoord van Wassenaar. Daarin werd afgesproken de zeer hoge werkloosheid te bestrijden met loonkostenmatiging. Om rendementsherstel voor het bedrijfsleven te bewerkstelligen moest de loon(kosten)stijging achterblijven bij de “loonruimte”: de som van de reële arbeidsproductiviteitsstijging en de stijging van de prijzen die ondernemers aan hun klanten in rekening konden brengen. Oftewel de nominale loon(kosten)stijging moest achterblijven bij de stijging van de nominale arbeidsproductiviteit.</p>"},"alignedImage":{"position":"bottom","transformBaseUrl":"https://assets.ing.com/transform/acf52240-481a-40aa-a66c-d8c3ddf43e8c/ING_EBZ_fig13-pdag2022-grijs_tcm162-250803","original":"https://assets.ing.com/m/61e8ea609f0a85ff/original/ING_EBZ_fig13-pdag2022-grijs_tcm162-250803.png","extension":"png"}},{"componentType":"paragraph","richBody":{"value":"<p>De afspraken in het akkoord hadden resultaat. Een deel van de loonruimte die er bij bedrijven was voor verhoging van de nominale lonen, eisten de vakbonden bewust niet op zodat de winsten zich konden herstellen. De gematigde looneisen, naast sociale lastenverlichting door de overheid, zorgden ervoor dat de loonkosten vooral gedurende de jaren tachtig achterbleven bij de nominale productiviteitsstijging. Zo daalde de arbeidsinkomensquote en steeg de kapitaalinkomensquote.</p>"},"alignedImage":{"position":"bottom","transformBaseUrl":"https://assets.ing.com/transform/1befec78-2846-40b3-a55f-0a10525dc2c5/ING_EBZ_fig14-pdag2022-grijs_tcm162-250804","original":"https://assets.ing.com/m/60ba880da2c63b9c/original/ING_EBZ_fig14-pdag2022-grijs_tcm162-250804.png","extension":"png"}},{"componentType":"paragraph","richBody":{"value":"<p>Cijfers over de bedrijfsinvesteringen laten zien dat de aanpak succesvol was. Het rendementsherstel in de jaren tachtig als gevolg van de daling van de arbeidsinkomensquote ging gepaard met een verbetering van de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven en aantrekkende bedrijfsinvesteringen. En vervolgens ging dit hand in hand met een afname van de werkloosheid.</p>"}},{"componentType":"paragraph","richBody":{"value":"<p><strong>3) Bruto exploitatieoverschot: ondanks coronacrisis lag de winstgevendheidsindicator afgelopen tijd op acceptabel niveau</strong></p><p>Als derde belangrijke indicator kunnen we direct de winstgevendheid van het bedrijfsleven onder de loep nemen. Daarbij geldt: als de winstgevendheid niet te laag is, is meer loonstijging niet direct bedreigend voor de economie. We kijken hiervoor naar het bruto exploitatie-overschot als percentage van de toegevoegde waarde van het niet-financiële bedrijfsleven(12). Voordeel hiervan is dat het een actueler cijfer op kwartaalbasis biedt dan de arbeidsinkomensquote. Aan het begin van de coronacrisis zagen we een dip in de winstgevendheid. Mede door de steun van de overheid, maar recent ook vooral door het snelle herstel van de economie heeft de winstgevendheid zich voor het bedrijfsleven gemiddeld gezien, relatief gunstig ontwikkeld. De winstgevendheid lag in de afgelopen kwartalen juist vaak boven het langjarig gemiddelde. Ook dit is een duidelijke aanwijzing dat het bedrijven gemiddeld genomen een verder beloningsverhoging aan zouden kunnen.</p>"},"alignedImage":{"position":"bottom","transformBaseUrl":"https://assets.ing.com/transform/407cc898-6f8f-4fd2-ac10-c36700846612/15_tcm162-250805","original":"https://assets.ing.com/m/120b486fe3db652d/original/15_tcm162-250805.png","extension":"png"}},{"componentType":"paragraph","richBody":{"value":"<p>De winstindicator laat zien dat voor het bedrijfsleven de ontwikkeling gemiddeld genomen relatief gunstig is geweest, maar dat gemiddelde geeft geen inzicht in de verschillen binnen het bedrijfsleven. Daarover bestaan helaas geen recente gegevens. Wel weten we dat in de bedrijfstakken met een hoge winstgevendheid er ruimte is voor een beloningsontwikkeling hoger dan het landelijk gemiddelde, in de zwakkere sectoren juist lager. Zo zullen vooral bovengemiddeld sterk gegroeide bedrijfstakken met tegelijkertijd ook de grootste personeelskrapte, zoals de ICT-sector, niet aan bovengemiddeld loongroei kunnen ontkomen.</p><p><strong>Ontwikkeling van geïmporteerd welvaartsverlies belangrijke onzekere factor </strong></p><p>Recent zijn niet alleen werknemers, maar ook het bedrijfsleven overvallen door een forse stijging van de energieprijzen en een toename van andere kosten zoals voor vervoer en halffabricaten. Het lukt Nederlandse bedrijven voor een deel om de kostenverhogingen af te wentelen op afnemers. Zo hebben zelfs Nederlandse goederenexporteurs hun prijzen in het eerste kwartaal <a href=\"https://opendata.cbs.nl/\">gemiddeld met 20,2% kunnen verhogen</a> in vergelijking met een jaar eerder. Toch blijft deze stijging achter bij de prijsstijging van goederenimport van 22,7%.(13) Zo is er sprake van een zogenaamd ruilvoetverlies, dat betekent een welvaartsverlies voor ons land. Dit kan ook de winstgevendheid raken en zo een negatief effect hebben op de ruimte die bedrijven hebben om in te gaan op hogere looneisen.</p>"}},{"componentType":"sectionTitle","title":"Conclusie: beloning kan nog wat meer toenemen"},{"componentType":"paragraph","richBody":{"value":"<p><strong>Tempo van de cao-loonstijging neemt voorlopig nog toe</strong></p><p>Het tempo waarin de cao-lonen stijgen zal de komend tijd als gevolg van aanhoudende arbeidsmarktkrapte verder oplopen. Op basis van al afgesloten cao’s valt op te maken dat het gemiddeld voor 2022 om ruim 3% gaat en voor 2023 om ruim 4%.</p><p><strong>Afzwakkende conjunctuur mogelijke rem</strong></p><p>Indien vanwege het lage sentiment en de hoge inflatie de consumentenbestedingen en/of de productie verder onder druk komen te staan en de economische groei zal terugvallen, zal de krapte op arbeidsmarkt de komende tijd wat af kunnen nemen. Het risico hierop zal mogelijk meespelen in nieuw af te sluiten cao’s en mogelijk het tempo van de stijging van de cao-lonen wat kunnen afremmen. Zeker in dat geval is het te verwachten dat een deel van de gebruikte loonruimte uit de incidentele beloning zal komen.</p><p><strong>Loonstijging die de prijzen bijhoudt is nu niet reëel </strong></p><p>Als de verwachte loonruimte volledig wordt benut, hoeven werkenden op korte termijn echter niet te rekenen op een reële loonstijging. De verwachte toename van consumentenprijzen is simpelweg te hoog voor de loonstijgingen om bij te benen. Normaalgesproken overtreft de toename van de lonen de inflatie wel en is er dus sprake van een reële loonstijging. Groei van de arbeidsproductiviteit zorgt er namelijk voor dat de lonen op lange termijn ook harder kunnen stijgen dan de prijzen. Op dit moment is de economische situatie echter anders dan anders en ligt het niet voor de hand dat de lonen de huidige hoge consumentenprijsinflatie kunnen bijhouden. De huidige extreem hoge prijsstijgingen zijn namelijk vooral te danken aan duurdere geïmporteerde goederen zoals energie en voeding. Dat betekent voor Nederland een onvermijdelijk welvaartsverlies. In deze (vrij uitzonderlijke) economische situatie, waarin consumentenprijzen en afzetprijzen voor bedrijven uit elkaar lopen, betekenen hogere loonstijgingen vooral nóg hogere kosten voor bedrijven, zonder dat daar extra inkomsten tegenover staan. Nog hogere lonen kunnen dan ook leiden tot een loon-prijsspiraal(14), met al snel schadelijk gevolgen voor de werkgelegenheid.</p><p><strong>Bovengemiddelde winstgevendheid biedt wel ruimte voor extra stijging</strong></p><p>Werkenden hoeven op korte termijn dus niet te rekenen op een reële loonstijging. Wel is er – gezien de recente bovengemiddelde winstgevendheid en gezien het niveau van de arbeidsinkomensquote dat geen bedreiging vormt voor de werkgelegenheid – weldegelijk ruimte voor wat meer loonstijging dan recent is afgesproken. Die ruimte zal echter niet overal even groot zijn. Daar past dan ook een gedifferentieerde loonontwikkeling bij: een paar onsjes meer waar het kan en wat minder in bedrijven en bedrijfstakken waar de winst langere tijd onder druk staat. Dat hoeft gezonde investerings- en werkgelegenheidsontwikkelingen niet in de weg te zitten is zodoende economische verantwoord. </p><p><strong>Incidentele loonstijging juist nu goede aanvulling op cao-loonstijging</strong></p><p>In het verleden en zo ook recentelijk gedurende de coronaperiode zagen we dat de incidentele beloning een bescheiden deel uitmaakte van de totale loonstijging. Die wordt traditioneel gedomineerd door de veelbesproken cao-loonstijging die voor alle werknemers geld. Toch moeten we de incidentele beloningen niet over het hoofd zien, zeker nu niet. Juist de huidige situatie op de arbeidsmarkt biedt werknemers een goede kans om via incidentele beloning nog een loonsverhoging binnen te halen, bijvoorbeeld bij de overstap naar een nieuwe baan of functie. Individuele werkgevers kunnen er ook voor kiezen om een eenmalig bedrag uit te keren, ook buiten de bedrijfstak-cao om. Incidenteel extra belonen biedt werkgevers een extra mogelijkheid om te differentiëren op een relatief laag aggregatieniveau. Een optie die zeker in de huidige arbeidsmarkt – die op sommige plekken zeer krap is – van pas kan komen.</p><p><strong>Zelfstandigen kunnen in krappe arbeidsmarkt nog wel wat goedmaken</strong></p><p>Zelfstandigen kunnen meer en sneller dan werknemers profiteren van de huidige krappe arbeidsmarkt. Ze bepalen namelijk hun eigen tarieven en de schaarste aan arbeidskrachten bepaalt met name voor zelfstandigen zonder personeel hoe ver ze hun tarieven kunnen verhogen. Hoewel dit eigenlijk voor werknemers niet fundamenteel anders is, is een belangrijk verschil dat werknemers grotendeels collectief onderhandelen. Zo kunnen zelfstandigen op korte termijn waarschijnlijk een deel van hun tijdens de coronaperiode opgelopen achterstand goedmaken. Wel blijft het de vraag of het zelfstandigen nog lukt de complete coronadip in te lopen. Het is immers lastig precies te bepalen hoe lang de conjunctuur dat nog toelaat. Een verzwakking van het economisch beeld zullen zelfstandigen waarschijnlijk uiteindelijk ook sneller merken dan werknemers, in hun tarieven en uiteindelijk ook in het aantal opdrachten.</p><p>Auteurs: Marcel Klok en Raoul Leering</p>"}},{"componentType":"paragraph","richBody":{"value":"<p><strong>Voetnoten</strong></p><ol><li>Het betreft beloning vóór belastingen. Deze publicatie gaat niet in op beleidsaanpassingen.</li><li>Het kan gaan om afspraken van een individueel bedrijf buiten de bedrijfstak-cao om of om arbeidsvoorwaarden afgesproken op niveau van de individuele werknemer.</li><li>Als de werkgelegenheid groeit en er stromen vooral werknemers in met een lager loon – bijvoorbeeld flexwerkers met een slechtere onderhandelingspositie en lagere productiviteit - dan de werknemers die voorheen al aan het werk waren, dan ontstaat een negatief samenstellingseffect op de gemiddelde beloning. Andersom kan soms een positief samenstellingseffect ontstaan, bijvoorbeeld als vooral de laagstbetaalde werkende hun baan verliezen bij een afname van de werkgelegenheid.</li><li>Op zelfstandigen gaan we niet in, omdat de statistieken die we voor deze groep gebruiken op bedrijfstakniveau nog niet beschikbaar zijn.</li><li>Hoewel de benedengemiddelde loonstijging in lijn ligt met het relatief grote verlies aan werkgelegenheid in deze sectoren, speelt de toevallige timing van het aflopen van cao’s in sommige gevallen overigens een rol in de relatieve posities van bedrijfstakken. Zo had de hier verrassend laag scorende ICT-sector in het jaar voorafgaand aan corona juist een bovengemiddelde cao-loonontwikkeling.</li><li>Dit is niet alleen theorie en op macroniveau het geval. Ook in de praktijk blijkt op microniveau de productiviteit leidend voor de beloning: zo ontvangen de productievere hogeropgeleiden gemiddeld een hogere beloning dan minder productieve lageropgeleiden.</li><li>Aangezien niet alleen het loon, maar ook zaken als verlof- en scholingsregelingen hiervan betaald moet worden, wordt de loonruimte soms ook <a href=\"https://www.cpb.nl/sites/default/files/omnidownload/CBS-CPB-DNB-paper-Herziening-methode-arbeidsinkomensquote.pdf\">de “arbeidsinkomensruimte” of “arbeidsvoorwaardenruimte”</a> genoemd.</li><li>Soms wordt deze vergelijking in reële termen uitgedrukt, d.w.z. dat de groei van arbeidsproductiviteit in constante prijzen wordt gezien als de ruimte voor de reële loongroei. Vaak wordt gebruik gemaakt van de prijs van het bruto binnenlands product of de prijs van de bruto toegevoegde waarde. Deze prijzen overlappen slechts voor een deel met consumentenprijzen, omdat bedrijven meer produceren dan alleen consumentenproducten.</li><li>Wel zijn er <a href=\"https://www.cpb.nl/augustusraming-2022\">ramingen van het CPB</a> beschikbaar voor 2022 en 2023. Grote bijstellingen van ramingen, die ook recent zijn opgetreden, illustreren echter hoe lastig het is om “real time” vast te stellen op welk niveau de arbeidsinkomensquote staat.</li><li>Ook de <a href=\"https://www.cpb.nl/augustusraming-2022\">Augustusraming van het CPB</a> van de arbeidsinkomensquote van gemiddeld 74,4% in 2022-2023 komt niet in de buurt van het niveau van eind jaren zeventig.</li><li>Dit is het aandeel van de beloning van kapitaal (eigen en vreemd vermogen) in het totale verdiende inkomen van bedrijven en wordt ok wel de overige inkomensquote genoemd. Dit is de 100% minus de arbeidsinkomensquote. Bedrijfswinsten vormen het belangrijkste onderdeel van de kapitaalinkomensquote.</li><li>Zoals zoveel tijdige macro-economische statistieken moet dit cijfer als een indicator voor winstgevendheid worden gezien, aangezien het ook beïnvloed wordt door modelmatig bepaalde componenten, zoals renteopbrengsten.</li><li>In het tweede kwartaal van 2022 is het ruilvoetverlies verder opgelopen: toen steeg de goederenuitvoer met 23,2% in prijs en de goedereninvoer met 30,7% jaar-op-jaar.</li><li>Dit is een periode waarin hoge loonstijgingen en hoge inflatie elkaar steeds opvolgen: hoge loonkosten zetten bedrijven aan tot verhogen van prijzen. De hoge prijzen kunnen aanzetten tot hoge looneisen, wat dus tot een nieuwe ronde van hoge loonkostenstijging en hoge inflatie leidt.</li></ol><p> </p><p><strong>Data en methodologische verantwoording</strong></p><p>Voor de gebruikte aanpak en data verwijzen we naar de volgende publicatie, waarin dezelfde databronnen en berekeningswijze als hier zijn gebruikt:</p><p>ING Economisch Bureau (2018): Beloning zelfstandigen stijgt sneller dan van werknemers</p><p>Mutatie in sociale premies zijn hierin van invloed op de totale bruto beloning en worden hier meegenomen in de post “incidentele beloningen”.</p>"}},{"componentType":"accordion","accordionList":[{"title":"Disclaimer","richBody":{"value":"<p>Deze publicatie is opgesteld door de ‘Economic and Financial Analysis Division’ van ING Bank N.V. (‘‘ING’’) en slechts bedoeld ter informatie van haar cliënten. Deze publicatie is geen beleggingsaanbeveling noch een aanbieding of uitnodiging tot koop of verkoop van enig financieel instrument. Deze publicatie is louter informatief en mag niet worden beschouwd als advies in welke vorm dan ook. ING betrekt haar informatie van betrouwbaar geachte bronnen en heeft alle mogelijke zorg betracht om er voor te zorgen dat ten tijde van de publicatie de informatie waarop zij haar visie in deze publicatie heeft gebaseerd niet onjuist of misleidend is. ING geeft geen garantie dat de door haar gebruikte informatie accuraat of compleet is. ING noch één of meer van haar directeuren of werknemers aanvaardt enige aansprakelijkheid voor enig direct of indirect verlies of schade voortkomend uit het gebruik van (de inhoud van) deze publicatie alsmede voor druk- en zetfouten in deze publicatie. De informatie in deze publicatie geeft de persoonlijke mening weer van de Analist(en) en geen enkel deel van de beloning van de Analist(en) was, is, of zal direct of indirect gerelateerd zijn aan het opnemen van specifieke aanbevelingen of meningen in dit rapport. De analisten die aan deze publicatie hebben bijgedragen voldoen allen aan de vereisten zoals gesteld door hun nationale toezichthouders aan de uitoefening van hun vak. De informatie in deze publicatie kan gewijzigd worden zonder enige vorm van aankondiging. ING noch één of meer van haar directeuren of werknemers aanvaardt enige aansprakelijkheid voor enig direct of indirect verlies of schade voortkomend uit het gebruik van (de inhoud van) deze publicatie alsmede voor druk- en zetfouten in deze publicatie. Auteursrecht en rechten ter bescherming van gegevensbestanden zijn van toepassing op deze publicatie. Niets in deze publicatie mag worden gereproduceerd, verspreid of gepubliceerd door wie dan ook voor welke reden dan ook zonder de voorafgaande uitdrukkelijke toestemming van de ING. Alle rechten zijn voorbehouden. ING Bank N.V. is statutair gevestigd te Amsterdam, houdt kantoor aan Bijlmerdreef 106, 1102 CT te Amsterdam, Nederland en is onder nummer 33031431 ingeschreven in het handelsregister van de kamer van koophandel. In Nederland is ING Bank N.V. geregistreerd bij en staat onder toezicht van De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten. Voor nadere informatie omtrent ING policy zie <a href=\"https://research.ing.com/\">https://research.ing.com/</a>.</p><p>Analisten: Marcel Klok en Raoul Leering</p>"}}]},{"componentType":"sectionTitle","title":"Meer weten?"},{"componentType":"paragraph","richBody":{"value":"<p><a href=\"https://www.ing.nl/zakelijk/kennis-over-de-economie/index.html\">Kennis over de economie</a></p><p><a href=\"https://twitter.com/INGnl_economie\">Volg ons op Twitter</a></p>"}}]},"complementaryZone":{"flexComponents":[{"componentType":"cards","cards":[{"componentType":"contactCard","cardType":"contact","cardSize":"medium","title":"Marcel Klok","intro":"Macro-econoom Nederland","image":{"transformBaseUrl":"https://assets.ing.com/transform/cc365774-e2d7-477d-816b-b5881b6389a0/ING_EBZ_marcel-klok_tcm162-142115","type":"image","width":437,"original":"https://assets.ing.com/m/15fc09be95bba054/original/ING_EBZ_marcel-klok_tcm162-142115.png","extension":"png"},"textLinks":[{"url":"https://www.linkedin.com/in/marcelklok/","text":"LinkedIn"},{"url":"https://twitter.com/klok_marcel","text":"Twitter"}],"email":"Marcel.Klok@ing.com"},{"componentType":"contactCard","cardType":"contact","cardSize":"medium","title":"Raoul Leering","intro":"Hoofd internationaal handelsonderzoek","image":{"transformBaseUrl":"https://assets.ing.com/transform/7aef1b62-7676-44ad-b043-ffbe67c983d4/Raoul-Leering","type":"image","width":297,"original":"https://assets.ing.com/m/341054b5ff6ca42a/original/Raoul-Leering.jpg","extension":"jpg"},"textLinks":[{"url":"https://twitter.com/INGnl_Economie","text":"Volg ons op Twitter"}],"email":"Raoul.Leering@ing.com"}]}]}}}